Kinderboekenweek – Niet Thuis

Het is Kinderboekenweek en vorige week verscheen het nieuwe boek van kinderboekenschrijver Jacques Vriens. ‘Niet thuis’ gaat over zeven kinderen die in een leefgroep leven. Allemaal hebben ze hun eigen bijzondere verhaal.

(Tekst: Jeugdzorg Nederland)

Ze kunnen het niet altijd goed met elkaar vinden, maar als het erop aankomt, laten ze elkaar niet in de steek. Dan vangt een van de kinderen een geheim gesprek op tussen de groepsleiders. Er moet bezuinigd worden in de jeugdzorg en dat heeft ingrijpende gevolgen. Zodra de kinderen erachter komen wat er aan de hand is, verzinnen ze samen een spannend en gewaagd plan.

Jeugdzorg Nederland sprak met auteur Jacques Vriens over zijn keuze om een boek over jeugdzorg te schrijven en de indrukken die hij opdeed tijdens de research voor zijn boek.

Waarom besloot u een boek over jeugdzorg te schrijven?

Het is al een tijdje geleden dat ik terecht kwam in een leefgroep. Een vriend van mij was daar groepsleider en ik vond het leuk om wat meer over zijn werk en over de groep te weten. Daardoor herinnerde ik mij dat ik als kind ook  in een groepshuis was geweest.

Mijn ouders hadden vroeger een hotel en in de zomer was het daar extra druk. Er was dus weinig tijd voor de kinderen. Mijn moeder vond een advertentie in de krant over een ‘kinderpension’. Zo kwam het dat mijn broer en ik daar een paar jaar achter elkaar naartoe gingen en we er enkele weken verbleven.

Jaren later kwam ik er achter (o.m. dankzij mijn bezoek aan de leefgroep van mijn vriend) dat het ‘kinderpension’ eigenlijk een tehuis was voor kinderen die onder toezicht stonden van de kinderbescherming. In de zomer waren er altijd wel een paar meisjes en jongens die zelf op vakantie gingen en konden er ook ‘gewone’ kinderen terecht. Zo haalde de directrice wat extra geld binnen. Ik heb overigens vooral goede herinneringen aan die tijd.

We speelden veel in de grote tuin, deden spelletjes of gingen naar het bos.

Natuurlijk knalde het er wel eens.  Zo was er een jongen die af en toe volledig doordraaide en dan in de kelder werd opgesloten om ‘af te koelen’.  (Dit speelde zich wel af in de jaren vijftig van de vorige eeuw…) Er was ook een meisje dat regelmatig onder de tafel ging zitten, als haar iets te veel werd. Meestal moest ze er weer onderuit komen en dat ging vaak met geschreeuw gepaard. Maar er waren ook groepsleiders die haar gewoon lieten zitten en dan kwam ze na een kwartiertje vanzelf weer tevoorschijn.

De vakantiekinderen werden overigens wat minder streng behandeld, realiseer ik me achteraf. Ik heb één keer een draai om mijn oren gehad omdat ik de snotandijvie die ik perse moest opeten, uitspuugde over de tafel. Daarna moest ik voor straf de hele middag naar mijn kamer.

Al deze ervaringen (het kinderpension en het bezoek aan de leefgroep van mijn vriend) bleven de afgelopen jaren door mijn hoofd spelen. Langzaam maar zeker ontstond het plan om er een boek over te schrijven. Ik zocht daarvoor contact met de jeugdzorg in Limburg, sprak met groepsleiders en kinderen, want ik wilde natuurlijk een heel goed beeld hebben van de jeugdzorg nú!

Wat is uw indruk over het werk van jeugdzorgprofessionals, op basis van uw bezoeken en gesprekken in de researchfase voor dit boek?

Het viel mij vooral op dat mensen over het algemeen heel openhartig spraken over hun werk. Dat het niet altijd even gemakkelijk was, maar er klonk altijd begrip door in wat ze vertelden over ‘hun’ kinderen. ‘Een veilige omgeving bieden’ en ‘structuur’ waren woorden die regelmatig terugkwamen. Mensen waren ook realistisch over het feit dat een kind het met de ene groepsleider nou eenmaal beter kan vinden dan met de andere. En dat het ook vaak gezellig kan zijn in de groep en er zeker ook gelachen wordt.

En natuurlijk loopt het wel eens uit de hand. Zeker wanneer kinderen wat ouder worden. Toen mijn eigen kinderen in de puberteit kwamen, was het ook niet altijd pais en vree in huize Vriens. En ik snap dat het er in een leefgroep zelfs nog iets heftiger aan toe kan gaan. Jongeren hebben in dit geval niet te maken met hun eigen ouders, maar met de groepsleiding. Dat vraagt nogal wat van kinderen en volwassenen.

Is het beeld dat u van jeugdzorg had wellicht veranderd door de research voor dit boek?

Ik had natuurlijk nog mijn herinneringen aan het ‘kinderpension’. Wat betreft de sfeer zag ik geen grote verschillen. Maar wat mij vooral opviel is dat kinderen van nu veel meer privacy hebben. Natuurlijk worden ze gecontroleerd, maar ze hebben wel een eigen kamer en ik merkte steeds weer dat de groepsleiding van nu probeert behendig te laveren tussen kinderen in hun waarde laten, hen vertrouwen geven, maar anderzijds ook eisen stellen als dat nodig is.

Welke boodschap heeft u voor mensen die in de jeugdzorg werkzaam zijn?

Allereerst heb ik bewondering voor jullie. Het is niet altijd even gemakkelijk om kinderen met zoveel verschillende verhalen tot hun recht te laten komen. In mijn boek gaat het o.m. over de vraag: hoe eerlijk ben je tegenover kinderen? Ik denk dat kinderen het juist fijn vinden als je tegenover hen openhartig bent en je ook je eigen zwakheden durft te laten zien.

Welke boodschap heeft u voor kinderen in de jeugdzorg?

Ga altijd op zoek naar iemand waar je prettig bij voelt; praat over de dingen die je dwars zitten en kom voor jezelf op. Zeker als je wat ouder bent, is het best lastig om je ‘zwakke’ kanten te laten zien. Maar realiseer je dat de meeste mensen die in de jeugdzorg werken, daar bewust voor gekozen hebben. Ze willen kinderen écht helpen. En natuurlijk ‘klikt’ het met de een beter dan met de ander. Maar er is altijd iemand te vinden bij wie je terecht kunt.

Welke boodschap heeft u voor gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor jeugdzorg?

Gemeentes zitten in een lastig parket. Zij zijn nu verantwoordelijk en moeten bezuinigen. Voorkom dat de jeugdzorg vermalen wordt in een ambtelijke papierberg. Stel er goede mensen voor aan binnen je gemeente. Mensen met kennis van zaken, die snel kunnen handelen en vooral liefde voor kinderen hebben.

Geef een reactie