Regionale netwerken moeten tijd nemen voor relaties

(Tekst: Sociale vraagstukken)

Sommige gemeenten zijn te klein voor adequaat beleid op het gebied van zorg, participatie en jeugd. Ze zoeken daarom samenwerking in regionale netwerken. Daarbij is het zaak een uitgekiende balans te vinden tussen snelle resultaten en goede relaties.

Het Rijk heeft de afgelopen jaren rondom uiteenlopende vraagstukken geïnvesteerd in het stimuleren van regionale samenwerking. Bijvoorbeeld om jeugdwerkloosheid aan te pakken of het aantal voortijdig schooluitvallers te verminderen. Met subsidieregelingen en targets – bijvoorbeeld het terugdringen van het aantal voortijdig schoolverlaters met veertig procent – schept zij de randvoorwaarden voor die samenwerking. De regionale netwerken krijgen zo een dubbele taak: het realiseren van concrete output én zorgdragen voor duurzame samenwerkingsrelaties, zodat de opbrengsten geborgd zijn als de tijdelijke overheidssubsidie wegvalt.

Spanningsveld bij de aanpak van jeugdwerkloosheid

Juist tussen deze twee taken bestaat een spanningsveld. Regionale netwerken die erin slagen om in korte tijd veel resultaat te boeken, blijken in de praktijk vaak de meeste problemen te ondervinden in de samenwerking. Het is in zulke effectieve netwerken vaak door de sterke inzet van één partij dat er hoge kwantitatieve resultaten worden behaald. Netwerken die eerst proberen goed samen te werken doen er langer over om tot concrete acties te komen, maar daarna is de samenwerking wel sterker, het commitment groter en de verwachte continuïteit daarmee hoger.

Een voorbeeld. De regionale netwerken rondom jeugdwerkloosheid moesten in korte tijd, midden in de zomervakantie van 2009, worden opgericht. Plannen van aanpak moesten worden ingediend en het was zaak snel resultaat te boeken, want de politieke druk was hoog. In een regio was een externe partij aangetrokken voor de coördinatie van het netwerk. Om tempo te maken hakte deze partij belangrijke knopen door, bijvoorbeeld het zelfstandig schrijven van een plan van aanpak. Ook trok ze uitvoerende taken naar zich toe, zoals het voeren van intakegesprekken met de jongeren. Hierdoor waren in eerste instantie de resultaten vrij hoog, maar het commitment en betrokkenheid van de andere netwerkdeelnemers brokkelden af. Hierdoor verslechterden op termijn zowel de resultaten als de samenwerkingsrelaties. In een andere regio was eveneens een onafhankelijke partij aangetrokken om het netwerk te coördineren. Maar hier bepaalden de aangesloten partijen – onder andere gemeenten, scholen en UWV – de agenda en aanpak en werden uitvoerende taken onderling verdeeld. Door de intensieve afstemming was een langere aanlooptijd nodig om tot concrete acties te komen, maar uiteindelijk kon het netwerk bogen op kwalitatief goede samenwerkingsrelaties en op goede resultaten.

Op den duur gaan relaties en resultaten beter samen

Of een netwerk erin slaagt om zowel relaties op te bouwen als concrete resultaten te boeken hangt af van ten minste twee factoren. Een ervan is tijd: naarmate een netwerk langer bestaat, gaan het werken aan relaties én resultaten beter hand in hand. Dit impliceert dat het Rijk terughoudend zou moeten zijn met kortdurende subsidies. Bovendien zouden netwerken, ook die ontstaan vanuit de decentralisaties, zoveel mogelijk gebruik moet maken van bestaande samenwerkingsrelaties tussen organisaties en tussen individuen, zoals  stuurgroepen of platforms voor onderwijs en arbeidsmarktzaken. Een tweede factor is netwerksturing. Netwerken die aangestuurd worden door een onafhankelijke partij die fungeert als netwerkcoördinator lijken het meest effectief. Dat is met name het geval als de netwerkcoördinator vooral een ondersteunende, coördinerende rol heeft.

Lees hier verder

Geef een reactie