Subsidie om met speurstoffen in lichaam te kijken

Met een Europese subsidie van 30 miljoen euro ontwikkelen onderzoekers nieuwe speurstoffen om te proberen vast te stellen of immunotherapie zin heeft voor de individuele patiënt. Het UMCG werkt mee aan dit project en heeft daar 2,4 miljoen euro subsidie voor ontvangen.​

(Tekst: UMCG)

Immunotherapie en afbeelden​de technieken

Er komen steeds meer therapieën die ingrijpen op het immuunsysteem, de zogeheten immunotherapie. Het effect van de immunotherapie in de patiënt is lastig te voorspellen. Door een combinatie van beeldvormende technieken – zoals optische afbeelding, PET en MRI, en speurstoffen – kunnen in het lichaam van de patiënt immuuncellen worden aangetoond die een rol spelen bij kanker en ontstekingsziekten. Deze technieken kunnen mogelijk helpen vooraf of vroeg tijdens de behandeling het effect van de therapie te voorspellen.​

Het ‘Immune-Image’ project is gestart op 1 oktober 2019 en kent een looptijd van 5 jaar. Van het totale onderzoeksbudget van 30 miljoen euro is 15 miljoen euro gesubsidieerd door Innovative Medicines Initiative (IMI), een gezamenlijk technologie-initiatief tussen de Europese Unie (EU) en de Europese Federatie van Farmaceutische Industrie en Verenigingen (EFPIA). De andere helft financieren de farmaceutische bedrijfspartners (EFPIA), in de vorm van bijdragen in natura of in geld aan het project. Het UMCG zal hiervan ongeveer 2,4 miljoen euro ontvangen.

Betrokkenheid UMCG

Immune-Image staat onder leiding van Amsterdam UMC en brengt 10 Europese topwetenschappelijke instellingen samen, 4 kleine tot middelgrote bedrijven, 1 patiëntenorganisatie en 7 farmaceutische bedrijven. Vanuit het UMCG zijn Prof. Liesbeth de Vries en Dr. Rudolf Fehrmann (beide afdeling medische oncologie), Dr. Wouter Nagengast en Dr. Noortje Festen (afdeling maag-, darm- en leverziekten), Dr. Liesbeth Brouwer (afdeling reumatologie en klinische immunologie), Dr. Andor Glaudemans en Dr. Erik de Vries (beide afdeling nucleaire geneeskunde & moleculaire beeldvorming), Prof. Jos Kosterink en Dr. Marjolijn Lub-de Hooge (beide afdeling Klinische Farmacie en Farmacologie) betrokken bij dit onderzoek.​

Geef een reactie